Heavenletter #4403 Begrip Dat Jouw Tranen Zou Wissen
God zei:
Hoe moet Ik dit zeggen: Er is niets wat Ik niet doen kan. Er is niet één wonder dat Ik niet kan verrichten. Ik schep leven. Ik schep schoonheid. Ik schep land en zee. Ik schep liefde en nog eens liefde. En toch vervul Ik, God, niet alles wat jij vraagt, hoe zeer je het ook verlangt. Ik ben niet gewoon de doden tot leven te wekken. Ik willig niet al jouw wensen in. Ik willig er misschien niet de helft van in. Evenmin ben Ik er altijd als jij gelooft dat jij Mij nodig hebt, of soms kunnen sommigen het gevoel hebben dat Ik er nooit ben.
Hoe kan dat nu? Hoe kan Ik je in de steek laten in jouw tijd van nood? Hoe kan Ik jou, Mijn lievelingskind, überhaupt in de steek laten? Dit slaat nergens op.
Voor sommigen lijkt het dat Ik niet om je geef. Voor sommigen lijkt het dat Ik je in de steek liet, of dat Ik niet besta omdat jij in een of andere knoeiboel zit. Vanuit jouw perspectief is het niet gemakkelijk te begrijpen. Het is misschien onmogelijk het te begrijpen. Het gaat waarlijk jouw begrip te boven.
Als je Mij ziet als een onverschillige God, een harteloze God, hoe kan Ik, God, dan een God van Liefde zijn of veronderstellen dat te zijn? Zou een God van Liefde jou niet optillen en jou redden van dat waarvan je ook maar verlangt gered te worden? Als het gaat om wat jouw hart nu bezwaart, dan verdwijnen alle reddingen uit het verleden uit jouw zicht.
“Hoe zit het met nu, God?” roept jouw hart.
Het is niet dat je ondankbaar bent voor al jouw zegeningen. Ja, ja, je bent dankbaar, maar op dit moment ben je angstig. Je probeert te voelen: ”Uw Wil, oh Heer, niet die van mij”, maar je kunt daar niet echt toe komen. Als je het gevoel hebt dat de grond onder je voeten is weggeslagen, dan vraag je je in ontzetting af: “Waar bent U, God? Waar is Uw mededogen? Waar is Uw gepraat over om mij geven? En niet alleen om mij maar om anderen en anderen die slechter af zijn dan ik, hoewel ik op het ogenblik het gevoel kan hebben dat niemand zich ellendiger voelt dan ik terwijl ik me aan Uw voeten werp, God”.
Je kunt heilig in Mijn bestaan geloven en je toch verlaten voelen. Hoe kun je enig doel begrijpen voor zulk verdriet of angst of onheil die je op dit moment voelt? Je zou graag op Mij vertrouwen en toch kun je dat niet echt. Wat zou je dat graag doen. Wat zou je graag zulk vertrouwen hebben.
Je wilt geen poëzie. Je wilt niet horen dat het leven is als de golven van de oceaan, zich opvouwend en ontvouwend. Je wilt niet slikken dat er geen dood is, want in dit leven ben je duizend doden gestorven van het een of andere soort, duizend doden van hoop. Je bent teleurstelling tegengekomen, soms wrede teleurstelling. Je hebt een goed leven geleid. Je hebt Mij en de wereld gediend. Het is niet dat je naar beloning zocht, maar je verwachtte niet dat Ik je zou vergeten.
Dit is waar We zijn. Dit is de moeilijke situatie waarin We zijn. Ik begrijp je. Jij wilt Mij begrijpen. Ik kan het jou niet uitleggen op enig niveau dat voor jou begrijpelijk is. Woorden die jou het begrip kunnen geven waarnaar je snakt bestaan niet. Ik zou gebarentaal gebruiken als Ik kon. Ik zou een film maken als Ik kon. Ik zou jou begunstigen met begrip dat jouw tranen zou wissen als Ik kon. Net zoals jij het zou begrijpen als je kon, zo zou Ik jou het begrip geven waar je naar hunkert.
Intussen strijk Ik je wenkbrauw glad, kun je het voelen? Intussen neem Ik jouw hoofd tussen Mijn twee handen en kijk Ik je diep in de ogen. Vanuit de diepte van jouw ogen zie Ik Mijzelf in de vorm van jou vragende wat Ik al weet.

