HEAVEN # 1570 Kan de Aarde Anders Zijn Dan Rond? 7 maart 2005
HEAVEN # 1570 Kan de Aarde Anders Zijn Dan Rond? 7 maart 2005
Kan de Aarde anders zijn dan rond? In rond zijn is heelheid te vinden.
In rond zijn is Eenheid. De Zon is rond. De Maan is rond. Alle planeten zijn rond.
Stel je een cirkel voor die zo groot is, dat je de omvang ervan niet kunt vinden.
Miscchien is er wel geen omtrek te vinden. Misschien is die er niet, want de cirkel
breidt zich steeds maar uit. Het is een bloeiende cirkel. Hij blijft maar meer en
meer bloeien. Waar leidt die bloei toe? Wat gaat het worden, deze steeds maar groter wordende cirkel? En waar in haar rond zijn, begon het?
Stel je een cirkel van licht voor, met stralen zo helder dat je ogen het centrum
ervan niet kunnen zien. Er is zoveel licht, dat je niet kunt zien waar het licht
vandaan komt. Het enige dat je kunt zien is licht. Het enige dat je kunt weten
is dat er licht is, en licht is. Het licht is zo helder dat je niets kunt onderscheiden
in het licht. Miscchien valt er wel niets te onderscheiden in het licht dat zo helder is. Misschien is er niets anders te onderscheiden dan meer licht, als je dat zou kunnen zien. Miscchien is er niets anders dan licht, en licht sluit alles in.
Stel je voor dat je binnen in dit licht leeft. Stel je voor dat je deel uitmaakt van dit ongedifferentieerde licht. En toch, hoe kun je deel uitmaken van datgene
dat geen delen kent, geen segmentatie, geen plekken, geen stippen,
niets anders zijnde dan eenvoudige explosie van licht, opspringend
en rollend als golven, licht dat het naar zijn zin heeft, licht dat niets anders kent,
geen tijd, geen goed of kwaad, niets anders kennend dan licht zelf,
niets anders kennend dan uitdijende eeuwigheid, zichzelf rondwentelend
en rondwentelend, escalerend, dansend vreugdevol licht?
Ondergedompeld in licht, hoe zou je zelfs maar kunnen weten dat dit
grenzenloze licht licht was? Licht zou geen naam hebben. Er zou nergens
een naam voor zijn. Er zou niets zijn om een naam aan te geven.
Er zou het bestaan van licht zijn. Er zou Bestaan zijn dat in haar eigen licht danste.
Er zou die energie zijn die klaar stond om uit te barsten in gezang,
te gaan spelen, in zichzelf te imploderen, de volledigheid van haar bestaan herhalend,
oprollend en ontrollend, zichzelf rondcirkelend in steeds maar groter wordende cirkels,
zichzelf omhelzend alsof er geen ander was, terwijl er al die tijd geen ander is.
Stel dat de herhaling van deze Eenheid haar Eenheid vergat? Stel dat de herhaling
niet eens in Eenheid geloofde, het niet bevatte, het niet herkende of respecteerde,
het zich niet herinnerde, het niet uitbundig prees, er niet naar zocht, het uitsloot van haar bewustzijn, het in de steek liet alsof Eenheid nooit had bestaan?
Stel dat deze gereflecteerde Eenheid maar bleef staren in lichtpoelen en zichzelf
weerspiegeld zag op het oppervlak? Stel dat hij zich verbeeldde wat hij zich maar kon verbeelden, en dat in bestaan kwam wat hij zich maar verbeeldde? Hij stelde zich
water voor en zwom er in. Hij stelde zich trottoirs voor en liep er op. Hij stelde zich
andere wezens voor die rondliepen zoals zichzelf of niet zoals zichzelf, het trottoir vullend
en de denkbeeldige plaats die hij wereld had genoemd. Stel dat hij overal zichzelf zag
en niet wist dat hij dat was? Stel dat hij alles in bestaan dacht zoals een kunstenaar
een tekening maakt? Stel dat zijn ogen cameralenzen waren, of een kaleidoscoop,
en hij gelofde dat alles dat hij zag, uit het niets voor zijn neus was gezet? Hij vond het elders uit.
En stel dat hij zich vaag iets herinnerde maar niet wist wat dat was? Hij kon zich er niet op concentreren omdat het nog steeds ongedifferentieerd was en veel te groot en te geweldig om te bevatten binnen het kwetsbare raamwerk dat hij voor zichzelf gebouwd had? Stel dat hij zich verbeeldde dat hij ergens gestrand was terwijl hij nog steeds ondergedompeld was in het vlammende licht waaruit hij dacht weggegaan te zijn?

